Kankerzuur van de Chemokuur

 

De zomer kwam vorige week wel tot een heel abrupt einde. Dat gevoel deel je vast met mij. En misschien maar goed ook, want het echte leven begint weer. Zo ook voor mij. Waar ik weken lang mijzelf en mijn lichaam heb aangeleerd per dag te leven mag ik voor het eerst weer vooruit kijken; ik ben bijna clean! Het echte leven gaat verder, maar dat is wat het echte leven soms zo moeilijk maakt.

Ik heb er zin in hoor, moge dat heel duidelijk zijn. Maar na een Lowlandsfestival – dat voor mij louter liefdevol en legendarisch was – moet ik weer dingen in mijn agenda zetten. Mijn mindset moet 180 graden draaien. Afspraken, studieverplichtingen, een nieuw politiek seizoen. Jongens, wacht even! Vooruit kijken, hoe deed ik dat ook al weer? Bovendien moet ik nog een chemokuur uitzitten. Kan het echte leven niet even wachten? Nee… Het echte leven is als de Tour, die wacht op niemand.

Maar nu ik weet dat ik beter word, ben ik gemotiveerder dan ooit. Kom maar op jongens! Ik voel weer hoeveel power er in mijn lichaam zit. En ik heb die power een veel te lange tijd moeten missen.

Die chemokuren worden wel een groter blok aan mijn been. Je zou zeggen dat sommige medicatie went en dat een lichaam er beter op gaat reageren. Nou, dat is met mijn chemokuur het tegenovergestelde. Ze worden met de kuur zuurder. Die pillencocktail die elke dag lachend naar binnen werk, valt steeds rauwer op mijn dakkie. Ongewenste ziektes genees je met ongewenste middelen.

Ik weet wat ‘bad gaan’ is
Vorige week mocht ik weer komen voor mijn giftige ‘dag 1’ (Dat wil zeggen 3,5 liter aan rotzooi in 2 uur door mijn bloedbaan heen beuken). Hoe ik me die dag  voelde had helemaal níets meer met ziek zijn te maken! Man, man, man, wat was ik beroerd: slecht zicht, m’n aderen van binnen voelen prikkelen, negatieve tintelingen over het hele lichaam, misselijk voor het leven, wél heel veel honger en achterlijk veel energie hebben. Dramatische combinatie! En tegen de tijd dat het minder werd, mocht ik de volgende dag alweer aan het infuus hangen. Zwaar sfeerverlagend cirkeltje. Daar word ik niet vrolijk van.

Maar ik blijf lachen. Ik weiger mijzelf nu nog een negatieve spiraal in te chemoën. Het einde is nu echt in zicht. De drieëntwintigste van deze maand lig ik voor het laatst aan het infuus. Hoe ik me dan ga voelen? Ha, volgens mij kan je me opdweilen! Positief blijven wordt zwaarder maar juist daardoor belangrijker. Als die allerlaatste chemo denkt Joris Krouwels eronder te krijgen, heeft ie echt een verkeerde tegenstander geloot. Ik sta klaar om je af te drogen!

Nog één kuur. Dat is nog zes liter giftige vloeistof aan het infuus, zes ziekenhuisafspraken, één scan en rond de 148 pillen naar binnen harken. Bring it on!
Alleen nog even m’n kapper afbellen, ik heb het nu echt te druk!

chemopillen

 

Advertenties

Geen champagne, wel een kuur!

Natuurlijk sprong ik een gat in de lucht bij het goede nieuws van vorige week. De spanning was eraf; het is zeker, ik word beter. Veel tijd om daar van te genieten was er overigens niet. Ik smachtte naar champagne, maar kreeg een chemokuur.

Dag 1
“Joris het ziet er gewoon fantastisch uit”, moeten de woorden van de arts zijn geweest – ik weet het niet meer precies. “Activiteit van de kankerkliertjes staat op nul!”
Maar voordat ik daadwerkelijk een verbale reactie kon geven vervolgde hij, “Dus we kunnen morgen gewoon beginnen met je vierde kuur, om half tien kan je weer aan het infuus voor je ‘dag 1’!”

Mijn ogen sprongen op standje doodsangst en mijn blinde vreugd maakte plaats voor een toch wat depressieve realisatie: ik móet door! Er was geen tijd voor een feestje, echt niet, binnen vierentwintig uur moest ik gewoon weer vol geblaft worden met chemocaliën. (Ik vind nieuw Scrabble-woord).

Ziek
Ik had er woensdag dus weinig zin in. Bij de eerste drie ‘dag 1’-kuren pepte ik mijzelf fysiek en mentaal op: goed slapen, goed eten, veel bewegen en in m’n hoofd  alvast aan het knokken tegen de kankerkliertjes. Dat was na dit ontladende nieuws wel even anders. Ik was die chemokuur bijna vergeten… Geen verrassing; de 4,5 liter aan drie verschillende chemozakken hakte er goed in.

De eerste bijwerkingen zijn makkelijk uit te leggen: duizelig, slecht zicht, droge mond. Maar hoe ik dan ‘ben’ is totaal zot. Die middag was ik volledig onverschillig. Hoe leuk dingen ook waren ik kon er niet blij mee zijn. Emoties waren gewoonweg niet aanwezig. Daarbij voelde ik de chemocaliën in mijn bloedbaan zitten. Tintelend bloed. De meest letterlijke vorm van ‘slecht in je vel zitten’.

De misselijkheid van chemo is ook eentje die ik niet goed kon plaatsen. Normaalgesproken ben je misselijk omdat je maag iets niet aan kan. Je gooit er wat uit – of een pil erin – en je hoopt op het beste. Chemomisselijkheid is bij mij heel anders. Het wordt getriggerd door een bepaalde geur die mij acuut super misselijk maakt. Maar bij het ruiken van iets anders ook net zo snel weer verdwijnt. Bij thuiskomst was ik aan het uitleggen hoe kots, en kots, en kots misselijk ik was geworden van de geur van ziekenhuissoep – al etend – met aioli-broodje in de hand en zes gemarineerde kipkluiven achter mijn kiezen.

Bij elkaar een soort negatieve-drugs-trip die bij mij gelukkig niet lang duurt. Halverwege de avond voelde ik letterlijk mijn bloed het weer van de chemocaliën overnemen. Is te vergelijken met als je op je been hebt geslapen en er weer langzaam bloed doorheen stroomt als je bent opgestaan. Alleen dan door je hele lichaam. Heerlijk levend gevoel.

We zijn zo lekker gewoon gebleven
De chemo wordt zwaarder, maar ik word beter. Goud, ik teken ervoor. En Bloggebrood slaat zo goed aan dat het Haarlems Dagblad gisteren een interview met mij in de krant plaatste. Pagina groot. Check de foto! Dan is het écht komkommertijd hoor. Maar ik ben er stiekem wel trots op, op een foute, arrogante manier. Maar dat mag even toch? Kom op jongens, ik heb kanker, laat mij maar! Ik ben voor even beroemd, maar zo lekker gewoon gebleven!

juichen2222

Opkankeren!

Daar zat ik dan te wachten. Vierde van augustus, afdeling oncologie, iets over tienen. Mijn vader zat naast mij. De hele ochtend heel weinig woorden gewisseld. Hij had waterige oogjes, maar echte Krouwels-mannen huilen niet. Mijn moeder zat tegenover mij op de plastic bank. Nog tien minuten, was ons beloofd. Het werden er twintig.
Zenuwachtig? Niet echt, ik was rustig mijn laatste wenkbrauwharen een naam aan het geven.
“Krouwels?”
Oh, dat zijn wij!

Knallende Oerkreet
Goed nieuws? Ja, natuurlijk was het goed nieuws! In drie ruige chemokuren is de kankeractiviteit in mijn klieren naar nul geknald. Krouwels is clean!
De planning was dat dat het geval was na de vijfde kuur, maar de kanker besloot na de eerst helft  alvast te gaan douchen. Goud!

De vreugde was onbeschrijfelijk groot. De oerkreet in mijn hoofd was door het hele ziekenhuis te voelen. Mag ik in clichés praten? Ja, dat mag ik; er valt echt iets van je af.

Ik wist heus wel dat ik goed nieuws kreeg, ik voelde mijzelf veel te goed voor een doemscenario. Een beetje als een eindexamenleerling die cum laude is geslaagd, maar nog wel gebeld moet worden door zijn mentor. Natuurlijk reageer je heel blij maar je weet dondersgoed dat het wel snor zit. Maar ik? Nu al clean? Te gek!

Fluitsignaal voor de tweede helft
En nu? Nu moet ik de tweede helft uitspelen. De chemobehandeling gaat door om de terugkomkans van de kanker ook op nul te zetten. Nog negen weken dus, maar dat doen we met een lach. Ik bedoel, ik ga met 8 – 0 de rust in. Het elftal zuipt vast een biertje, de bondcoach is aan het juichen langs de lijn en team Kanker trekt een sprintje naar de kleedkamers. Het publiek staat nog te klappen. Over de wedstrijd zal nog veel gepraat worden, reken maar.

Intussen wordt in Hoofddorp de vierde kuur gestart, de derde zak bende wordt net op mij aangesloten. Daarna genieten van mijn vrije dag; BBQ bij mijn jarige mamalief. Mochten mensen mij zoeken op andere dagen, ik ben de zomer van mijn leven aan het leven bij Vooges Strand. Dolgelukkig!

Ho! Daar gaan de wenkbrauwharen Berend en Arie…. Jullie zullen gemist worden.

20150805_165911-1

Krouwels onder de scanner

Man, man, man wat heb ik een honger.
Jorisje, dat is geen honger, dat is trek.
Lazer op; ik heb honger!
Zes uur voorafgaand aan mijn scans mag ik niet eten of drinken. Ik doe een wedstrijdje knorrig zijn met mijn maag. Mijn maag wint.
Ik ga zo eerst onder een PET-scan en daarna onder een CT-scan liggen. Daarmee ben ik nog wel een paar uurtjes zoet.

Nucleaire Krouwels
Mijn PET-scan mag eerst. Die is het meest sfeerverlagend. Voorafgaand aan de scan wordt er nucleaire vloeistof bij mij geïnjecteerd. Deze vloeistof laat op de beelden zien hoeveel activiteit er in de kankercellen zit. Voel ik verder niets van. Nadeel is dat die meuk er een uur over doet om in te werken en ik intussen niet mag praten of bewegen. Een zeldzaam uurtje, inderdaad.

Na zestig minuten ontspannen op bed liggen mag ik pas daadwerkelijk onder de machine. Echt zo’n futuristisch Phillips-ding als uit de film. Ik lig daar verbluffend ongemakkelijk met broek op m’n knieën en armen boven mijn hoofd. In het apparaat wordt elk ‘plakje’ Joris Krouwels centimeter voor centimeter onder de loep genomen. Eindresultaat is dan een doorsnede-filmpje van mijn binnenste.

Daarna is mijn CT-scan aan de beurt. Daar heb ik dan wel weer zin in. Niet alleen duurt deze scan nog geen tien minuten, maar daarvoor knallen ze mij over het infuus vol met zogenaamde contrastvloeistof. Het grappige aan deze vloeistof is, is dat hij heel warm aanvoelt. In je aderen! Dat is echt heel geestig, een beetje vergelijkbaar met een warmtepleister, alleen dan binnen in je huid over je hele lijf. Heerlijk.

De resultaten van deze scans zie ik dinsdag pas, ik kan nou niet zeggen dat ik nú gigantisch zenuwachtig ben. Als ik maar snel weer wat mag eten! Man, man, man. In hoeverre al mijn medicatie en chemo-rotzooi allemaal op mijn kanker werkt hoor ik dus volgende week. Maar ik vind de aanslag op mijn uiterlijk op z’n minst veelbelovend. Kijk eens naar deze foto’s: dit is acht weken chemotherapie. Bizar!

acht weken

“Joris Krouwels?”
Oh, jongens, dat ben ik! Ik moet uitloggen; helaas mag ik in dat uurtje dat die nucleaire vloeistof inwerkt ook niet bloggen, lezen, chatten of appen. Ook mijn lijflied – die keihard uit mijn oortjes knalt – moet even uit. Luisteren jullie hem even voor mij af?

 

 

Altijd de bangste, altijd die angsten

Of ik niet bang ben? Ja natuurlijk wel. Ik ben ontzettend bang om dood te gaan, heel erg zelfs. Zeker nu een snottebel bij mij catastrofaal kan zijn. Mijn blinde vertrouwen in mijn goddelijk gewaande lichaam is even weg. Het is nu voor het eerst sinds ik in behandeling ben voor lymfklierkanker dat ik echt zenuwachtig ben. Op de dertigste van juli ga ik onder namelijk een CT –scan liggen, om te kijken of die gore rotzooi die ik elke week krijg ingespoten ook een beetje werkt. En er is een kans dat daar slecht nieuws uit komt. Ze kunnen dan nog een hoop trucjes op mij doen hoor. Geen zorgen. Maar als je chemo krijgt, wil je stiekem ook wel dat het een beetje aanslaat!

Chemo en Joris Krouwels zijn een goede match. Ik ben nog niet misselijk geworden en krijg steeds meer energie om mijn dingen te doen. Vorige week chemo-week en heb mijn werk geen enkele keer hoeven afzeggen. Na vier liter chemo fladder ik nog over het terras. Onverstandig? Absoluut niet! Dokter is blij dat ik veel beweeg, wat een flinke pre is. Als je onder een chemobehandeling gaat liggen, blijf je liggen.
Bovendien sta ik echt te stuiteren van de Prednison. Zelfs na een dag werk, lig ik soms wakker. Die Prednisonpillen zijn zulke uppers; vrolijker gestemd en meer energie. Maar wie geeft Joris Krouwels dan ook uppers?! Dat vind ik zoiets als een kleuter anti-rimpel crème geven.

“Joris jij bent ook zo’n sterk persoon, man!”, hoor ik vaak. (Of iets in die richting.) Maar ik bestempel het echt als mazzel. Stel nou dat mijn maagwand een halve millimeter dunner was? En ik wél elke dag kotsend in bed lag? En geen hap naar binnen krijg ondanks mijn lichaam veel kilocalorieën nodig heeft? Dan was ik dus wel een hoopje verdriet geweest die je elke dag kon opdweilen. Maar was ik dan een zwakker persoon geweest?

Janken en Juichen
En ik huil nog lekker veel. Heerlijk. Dat hoeft niet iedereen te zien of te horen. Ik was altijd een huilebalk, maar dat is nu nog erger. Maar goed, ik heb kanker; ik mag. Die last heb ik.
De last is alleen niet zo zwaar als je zoveel steun krijgt als ik. Ik bedoel ik ben nu negen weken verder. De nieuwigheid is er nu wel een beetje vanaf, zou je zeggen! Maar de hoeveelheid liefde die ik ontvang, hoeveel mensen aan mij denken? Wauw. Ik ben nog mijn hele leven bezig die liefde terug te geven. Werkelijk waar. En ik ga mijn stinkende best doen. Maar daarin geldt hetzelfde als mijn ziektekosten; zelfs als ik nog 50 jaar zou werken, geen zorgpremie ontvang en mijn eigen risico preventief inlever betaal ik mijn behandeling net niet af. Ik sta een hele hoop liefde in de schuld aan de wereld, aan mijn familie, vrienden, aan jullie!

Gelukkig zit nog een hoop levenslust in deze jongen. En ga met naïef positivisme die uitdaging aan. Wat ik te horen krijg na mijn CT-scan weet ik niet. Maar luister héél goed lullige lymfkliertjes – die er zo ontzettend op gehaaid zijn mij van het leven te beroven – ik ben nog totaal niet van plan het lootje te leggen. Laat die snottebel dus maar even wachten.

20150722_145553(0)-1

Krouwels’ Kankerkalender

100 happy days. Ken je dat? Honderd dagen, honderd dingen die je ‘happy’ maken, vervolgens honderd sociale mediakanalen gebruiken om honderden lastig te vallen met jouw dagelijkse therapie. Kan zijn: een ontbijtje in een fleurig filter op Instagram, tot een smachtende selfie met jouw derde bioscoopkaartje van de week op Facebook. (Die Pathékaart moet je er natuurlijk oud-Hollands ‘uitkijken’!) Hashtagje erbij; #100happydays. Dat moet dan elke dag, dat is de ‘challenge’. Ik weet nu zo’n zes weken dat ik kanker heb en ik ben ook maar begonnen. Vanaf volgende week heb ik niet ontoevallig nog 100 dagen chemotherapie over. In principe.

Kankerkalender
Joris, betekent dat, dat we morgen een foto kunnen verwachten van je vers gesneden Twentevolkorenklooster-speldbrood naast je caramelsoya-latte met #day1?
Lazer toch op! Maar ja, ik tel de dagen en mijn momenten. Elke dag schrijf ik een woord of twee over de afgelopen 24 uur op mijn kankerkalender. Mijn hashtag van de dag. (Voorbeeld: #Voorheteerstwerken!, #12uurachterdebar, #dansjeswagentotlaat, #seksmetdiekale.)

Die kalender is overigens bijna noodzaak. Op posterformaat hangt een kalender op mijn deur tot medio oktober. De dagen plak ik vol met gekleurde bolletjes met een cijfer erop. De kleur staat voor een pilletje, het cijfer voor een aantal. Vandaag rood 3, zwart 1, geel 2, blauw anderhalf; Pretnisolon, antibiotica, maagbeschermers en botversterkers. Valt mee; in mijn chemo-week lijken de dagen op kleuterkleurplaten. Misschien klinkt zo’n schema iets voor dementerende oude mannetjes, maar mijn medicatieschema is vrij specifiek. Sommige middelen slik ik naar lichaamsgewicht waardoor weinig dagen hetzelfde zijn. Ik ben al geen ochtendmens! Bij het opstaan alle kleurtjes netjes verzamelen, uit het folie prikken en naar binnen klokken. Het kan maar kloppen. Het is toch mijn genezing, nietwaar?

Mijn date van vorige week had ook een kalender. Zij kruist in haar dagelijks leven de dagen af voor ze naar Japan gaat.
“Even weg. Weg. Weg. Weg. Ik ben zó aan vakantie toe!”
Ik ken haar niet goed hoor, nu ook niet beter, maar ik kreeg de indruk dat het zo’n typetje betreft dat áltijd toe is aan vakantie. En als ze terug is, meteen de volgende vakantie boekt. De ober van het eerste authentiek Japans restaurant was waarschijnlijk al gebeld om een foto te maken met haar en het voorgerechtje. Je weet wel, voor Facebook. Wanneer ze naar Japan gaat? Eind november! Man, man, man tegen die tijd heb ik misschien alweer een kapsel!
Ga toch leven, trut…

I don’t like the drugs, but the drugs like me. 
Oh, en wat mij betreft. Ik en chemo gaan heel goed samen! Met de hittegolf keihard aan het werk geweest bij Vooges. (Toptent!)
De enige reden dat ik de 50-urige werkweek niet heb gehaald was het chemokuurtje van woensdagmiddag. Dus het gaat schandalig goed met mij. Het zal niet iedereen gegund zijn in mijn situatie, dat besef ik mij zeer goed. Het maakt mij echt, tja,  kankergelukkig.

Een ziekte als kanker brengt sowieso een vreemd soort gelukzaligheid met zich mee. Zo weinig voelt ineens vanzelfsprekend, waardoor de dagelijkse dingen speciaal zijn.
‘Cliché Krouwels!’, ik weet het.
Maar wat ik niet verwachtte was dat mijn positieve aura werkt als een schild. Je moet van goede huize komen om bij míj aan te komen met moeheidsklachten of andere kansloze knorrigheid. Dat dagelijkse negatieve geneuzel waar ik gezond al zo kolossaal allergisch voor was wordt mijn kale koppie bespaard. Genieten!

Ik ben wel als de dood voor mijn wenkbrauwen die mij elk moment kunnen gaan verlaten. Dan ben ik echt een kaal aapje! Chemotherapie is als een trage Brazilian wax met medicinale werkingen. Ja, echt, ik ben een kankerpatiëntje die zich nog ontzettend zorgen kan maken om zijn uiterlijk. Ik heb mijn kankerkalender-hashtag vast klaarliggen voor als het gebeurt; #Wenkbrouwels!

IMG-20150704-WA0004

Druk op de ketel & een bobbel op mijn borst

Het hoedje afpakken van een kankerpatiëntje is nooit grappig. Ja, voor mij! Je had z’n gezicht moeten zien. Ik loop sinds woensdag met een hoedje op mijn pannetje. De kaalheid begon echt in te slaan, maar plaatselijk. Aan de linkerkant van mijn schedel kon je mijn haargrens nog goed zien maar aan de rechterkant waren gapende gaten geslagen. Alsof ik een ongelukje had gehad met vuurwerk. Dus toen een wijsneusje in Café Studio voor de grap mij ontdeed van mijn hoofddeksel, schrok hij zich een hoedje. Gigantische ogen tuurden naar mijn kaalgevallen hoofdhuid. Ik kreeg mijn hoed terug en glimlachte zogenaamd vriendelijk. Vervolgens pakte ik mijn Amstel 0.0 van de bar en keerde me tot mijn collega.

Ik was aan het uitleggen hoe ik erachter kwam dat ik lymfklierkanker had. Ik krijg de vraag veel. Ook een logische vraag. Hoe? Hoe kom je erachter dat je kanker hebt? Een griepje of een verkoudheid zijn makkelijk, die zie je wel aankomen. Kanker was voor mij totaal iets onbekends en gelukkig geldt dit voor het gros van de mensen. Maar een ophoping van vage klachten en niet alarmerende symptomen zorgde ervoor dat het bij mij pas in een heel laat stadium is ontdekt.

Langzaam maar zeer zeker
Ik moet teruggaan naar mijn verjaardag van dit jaar, eind januari. Mijn lichaam ging achteruit. In alle alledaagse opzichten. Maar heel langzaam. In slakkentempo kreeg ik steeds minder zin in werk, vrienden, sociaal doen, feestje, drank, seks. Beetje bij beetje. In een maand of vier ging ik van vijf uur slaap per dag naar een uur of negen. Toen tien. Toen elf. Een depressie? Burn-out? Overspannen? Nee, joh! Niet ik! Rot  een héél eind op met je aanstelleritis-aandoeningen. Ik ben de Joris Krouwels, die volledige werkweken in een weekend propt, daarbij nog lekker uitgaat, de katers kanaliseert met koffie en vrolijk verder functioneert. Fluitend.

Maar toen begon het. Hoe harder mij werd verteld dat het tussen mijn oren zat, hoe harder ik ertegen vocht. En elke keer verloor ik. Tot twee maanden geleden werd het echt treurig. Werken hield ik niet meer vol en ik zonderde me totaal af. Ik kreeg last van een hoofdpijn die niet te harden was; een constante druk rustte op mijn schedelpannetje. Alsof mijn hoofd een fluitketel was waar teveel kokend water in zat, maar niemand het vuurtje eronder uit deed. Op aanraden van mijn huisarts slikte ik – tevergeefs – vier tot zes pijnstillers per dag.

Toch een bobbeltje
Humor toch dat al deze bovenstaande ellende níet hetgeen was  waardoor ze erachter kwamen. Bij een bezoek aan de huisarts liet ik even tussen neus en lippen door weten dat ik al maanden een bobbeltje op mijn borst had. De bobbel was ter grote van een pingpongbal, deed totaal geen pijn en was lange tijd niet gegroeid of geslonken. Ik koppelde deze bobbel altijd aan mijn ‘dienbladarm’, – een blessure die horecatijgers bij overbelasting oplopen door dienbladen vol volle glazen netjes ter hoogte van hun ogen te tillen. (En dus níet op hun onderarm laten rusten… Amateurs!)
Mijn schouderklachten namen af, maar mijn bobbel niet. Dus toch maar een foto laten maken… De foto werd een CT-scan. De CT-scan werd een diagnose.

Volgens mijn oncoloog waren alle klachten uit alinea 1 ook verklaard: kanker kost het lichaam zoveel energie. Klieren die millimeters groot hoorden te zijn waren ineens vier tot vijf centimeter. Ze verdrukten mijn longen en vooral de aderen in mijn hals. Vandaar de hoofdpijn: het bloed kon niet meer in vol tempo stromen tussen mijn hersenpannetje en mijn hart.

Ik was dan ook alles behalve verbaasd toen ze mij meldde dat ze het in een laat stadium hebben ontdekt. Gelukkig voor mij maakt dat voor mijn overlevingskansen niet vreselijk veel uit, mijn behandeling duurt alleen wat langer dan de gemiddelde lymfklierkankerpatiënt. (Mooi Scrabble-woord: lymfklierkankerpatiënt. Twee keer drie keer woordwaarden… Reken zelf maar uit.)

Lachend aan de Prednisolon
Jullie verbazen je massaal over hoe positief ik eronder ben. Ik ben simpelweg dolgelukkig dat ik eindelijk ergens voor behandeld word. Dat het dan kanker is, is wat aan de spijtige kant. Maar de weken voor mijn diagnose voelde als een totale weder afbraak. “Ignorance is bliss”, maar alleen als het goed met je gaat. Als je op zesentwintigjarige leeftijd het gevoel hebt dat je in Fyra-vaart aftakelt, dan kan je maar beter weten wat er mis is. Dat weet ik nu. En, er wordt wat aan gedaan. Dan maar chemo, dan maar kaal, dan maar vier maanden naar de tering, maar ik word genezen. Dat een onbeschrijfelijk fijn gevoel. #juichen

Hulde aan de persoon die Prednisolon heeft uitgevonden overigens. Wat een topspul! Het zuivert mijn lichaam van ontstekingen, maar dat is niet alles. Ik ben veel vrolijker, ik heb de hele dag honger, ik heb het libido van een hitsige puber en heb vlak na iname energie voor drie. Kan het iedereen aanraden! Ik moet helaas nu een weekje zonder, om afhankelijkheid te voorkomen.

Vanaf volgende maand probeer ik weer aan het werk te gaan. Ik sta te trappelen! Moet nog even wachten tot ik totaal geen haar meer op mijn hoofd heb. Een beetje boven perfect getapt bier te staan ontharen lijkt me een matig plan. Maar op dit tempo denk ik dat ik voor het weekend een gepoetste biljartbal ben. Wat denken jullie, staat zo’n dienblad mij nog een beetje?

2015-06-22 15.50.13

Het scheelde een haartje

Kanker krijgt de klere van Krouwels. Ik zit in de tweede week van mijn behandeling voor lymfklierkanker. Mocht je nou gevoelig zijn voor dit soort verhalen, of het raar vinden dat ik daarover schrijf in mijn derderangs bloggetje, dan raad ik aan niet verder te lezen. Zelf heb ik een lichte hekel aan taboes en neem over mijn ziekte ook geen blad voor de mond. Bovendien, er zijn in Nederland dit jaar iets minder dan 500 mensen in mijn situatie, dus hoe groot is de kans dat ik echt iemand beledig?

Het gaat heel goed met mij, laat ik dat even voorop stellen. Kanker is een woord dat veel los maakt bij mensen natuurlijk maar ik heb mazzel en geluk. Ik zal niet in saaie details treden maar ik heb Hodgkinlymfoom en dat is goed te behandelen. Ik gas zes kuren van drie chemobehandelingen naar binnen in etappes van drie weken en dat dan uitgesmeerd over achttien weken. Na die achttien weken moet ik clean zijn. Kleine prijs om te betalen als je drie weken geleden te horen kreeg dat je dood kon gaan. Voor de duidelijkheid, dat ga ik dus nog even niet. Overlevingskans van plusminus 82% over de landelijke linie dat bij een gezond, slank, middelmatige knap aapje van 26 natuurlijk een stuk hoger ligt. Ik kom er dus helemaal bovenop. #juichen!

Ik ben niet ziek
Ook de behandeling is tot nu toe een feestje. Ik kreeg van veel lieve mensen berichtjes dat ze langs willen komen in het ziekenhuis. Dat mag best, maar ik ben er niet! Ik krijg mijn chemo via infuus en pillen. Dat druppelt lekker mijn bloedbaan in voor een uurtje en ga daarna gewoon weer naar huis. In deze achttien chemoweken besteed ik ongeveer 100 uur in het ziekenhuis. Meevaller dus.

Ziek ben ik ook niet. Op papier  wel, maar ik heb griepjes gehad waar ik me beroerder bij heb gevoeld. Typisch is dat. Zeker als je elke dag moet opstaan met een twaalftal aan pillen. Twaalf! Chemo, preventieve antibiotica, prednison, maagbeschermers, botversterkers, nog een antibiotica, darmtabletten. Ik hoef in de ochtend eigenlijk niet meer te ontbijten. Waarna de dokter zei: “Oh eetlust? Daar heb ik ook nog wel een pilletje voor!” Maar ik houd het allemaal binnen.

Dankbaar met een buiging en een kus
Ik doe ook nog lekker waar ik zin in heb. Zo heerlijk dat dat kan. Daar ben ik gigantisch dankbaar voor. Veel meer dan ik op papier krijg. Emotioneel is dit gewoon veel. En in het chaotische hoofdje van Joris Krouwels is het dealen met kanker meer dan genoeg om de dag door te komen. Deze weken krijgt de kanker geen pauze, er zal geen moment zijn dat ik van deze situatie afstand kan nemen. Maar stel nou dat je álles nog zelf zou moeten doen? Dat lijkt mij vreselijk. Wat een verantwoordelijkheden een mens heeft. Ik word weergaloos vertroeteld door mijn familie, er wordt meegeschreven met doktersafspraken, meegereden naar ziekenhuizen en altijd iemand om me heen om dingen van mij af te praten (ik ben normaalgesproken een hele stille jongen). Woon zelfs weer even bij mijn mama om me te monitoren. Zesentwintigjarige die nog bij z’n moeder woont, heerlijk dat het kan. Ik hou van je mamalief.
Ik besef me opeens zo goed wat een topleven ik heb! Stel nou dat ik alles zelf zou moeten doen: alle afspraken, medicatie bijhouden, uitkering aanvragen, kijken hoe zonder werk kan overleven, je weet wel, naast dat je kanker hebt. Vreselijk. De ziekte wordt míj zo ‘makkelijk’ gemaakt. Dolgelukkig ben ik daarmee. Ik kan de hele tijd in eerste instantie aan mezelf en mijn lichaam denken. Voelt goed. Een hele diepe buiging voor mensen die mij helpen tillen.

Kale knakker
De zwaarste dag is vandaag. Huilen! Huilen! Man, man, man. Er is een kans van ongeveer een half procent dat mijn haar door de behandeling niet uitvalt. Ik ben niet één van die half procent… Na het douchen had mijn handdoek m’n kapsel. Mijn kat die in de rui is, is er niets bij. Dan maar alles er vanaf. En ik weet niet of ik jou ooit versierd heb, maar laten we eerlijk zijn: mijn bruine ogen en bruine haren-combinatie, daar moet ik het van hebben. Het is voor vrouwen natuurlijk nog emotioneler: echt stukje vrouwelijkheid die je verliest maar het is voor mij ook geen kouwe klerenwerk. Mijn lange bruine lokken hoorden echt bij mij. Niet die opgeschoren zijkanten-kapsels, gadverdamme. (Hipsters, ik haat ze!) Nee, een degelijke nette bos haren hoort bij Joris.

Ik mis Vooges!
Doelen! Ik heb ook nog doelen deze weken. Want ik mis mijn werk! Ik wil zo graag weer achter de bar knallen deze zomer met dat sfeerverhogende stelletje collega’s. Dat wilde ik ook al vóór ik ziek was hoor, dit komt niet uit de lucht vallen. Ik word altijd zo gelukkig van mijn werk. Hopelijk missen ze me bij Vooges ook een beetje want zoals het nu loopt kan ik héél snel weer dingen oppakken: voel me goed, doe het goed, functioneer nog goed en draai op 95% van mijn energie. Het moet nu alleen andersom: ik moet eerst kijken hoe ik me voel en op basis daarvan ga ik dingen doen. Het normale leven is precies het tegenovergestelde: je doet alles wat je moet doen en kijkt aan het eind van de dag/week/rit wel hoe je je daarbij voelt. Mijn lichaam gaat nu even voor. Maar dit lichaam wil werken. #JorisHartjeVooges

Meer dan ooit heb ik medelijden met figuren die op woensdag de week door het midden hakken omdat het ‘bijna weekend is’. Man, ga toch wat leuks doen. Van deze ziekte leer je goed genieten hoor; wat is mijn leven freaking fantastisch. Er is nog maar weinig spijt binnengeslopen in deze hypersociale, langstuderende mensenmens met politieke passie en hart voor zijn stadje. Daar mag je wat van vinden natuurlijk.

Maar ik geniet nog met volle teugen! Zingend de straten door met muziek in mijn oor. Dansen, lachen. Daar horen natuurlijk ook pijnlijke momenten bij. Bijvoorbeeld met kale kop uithuilen bij mijn katje. Dat maakt mij niet problematisch labiel of emotioneel instabiel: ik voel het allemaal wat meer. Mag ook vind ik, sterker nog, hoef je niet eens ziek voor te zijn: lekker durven voelen.

App mij maar suf
Mijn dank gaat uit naar al die steun! Waar ik zulke goede vrienden aan verdiend heb weet ik niet zo goed, maar man wat kunnen mensen lief zijn. Al die berichten en de groeiende kaartenberg. Maar begin bij mij niet met “je zult wel van iedereen horen dat… …”. Ik word al zo gelukkig van het feit dat mensen aan mij denken. Bovendien ben ik ook geen stil persoon en praat er (te) graag over.

Kreeg wel een kaart van iemand die ik niet ken. Wie de fuck is Astrid?! Na een week of twee nog niet achter. Is er een Astrid die alle medische dossiers doorneust en iedereen die door zijn eigen risico heen is een kaartje stuurt met “Sterkte komende tijd, Astrid.”? Ik ken helemaal geen Astrid!

Ik ben wel héél erg duur
Dat eigen risico zit er flink doorheen overigens. Mocht iemand deze week de politiek de schuld geven van de problemen in de zorg, scheld mij dan uit. Ik ben zo iemand die de premie even flink komt opkrikken. Man, man, man wat ben ik duur. Toen ik googlede hoeveel mijn behandeling eigenlijk kost ben ik blij in 2015 te leven. Ze hadden ook mijn studieresultaten kunnen bekijken en zeggen: “Nou jongens, deze laten we liggen hoor, we wachten wel op een beter exemplaar!”
In Nederland wordt iedereen gewoon behandeld, maakt niet uit hoe grote faalhaas je bent. Meevaller. En ik wil geen ondankbaar kankerpatiëntje zijn dus hierbij ook mijn betuiging van erkentelijkheid aan iedereen die netjes zorgpremie betaalt! (Van hypotheekrente zuigende woningeigenaren horen we nooit wat, die mogen ook wel eens gewoon “dankjewel” zeggen.)

Waarom schreef ik dit ook al weer? Oh, ja! Ik wilde even zeggen dat ik zo voor het eerst kaal de deur uit ga. Ontkennen gaat nu echt niet meer. Voor iedereen die dit leest: ik wil dus nóóit horen dat dit “wel een lekker kapsel voor de zomer is”! Ik heb ze voor minder in elkaar geslagen. Het is kaal, het is spuuglelijk, lach mij maar uit, want ik wil me zoveel mogelijk normaal voelen. Houd ook geen rekening met mij, dat doe ik zelf wel. Kanker is ook geen verboden woord geworden of zo. Sterker nog het kan best fantastisch zijn. Werd gisteren bijna aangereden door een scheldende dronken malloot in de Smedestraat. Ik riep nog na: “Lymfklierkankerjong… Om precies te zijn.”
Taboes zijn waardeloos.

kaalheid

 

Emma, volgens mij

Zoals ik al zei zat ik in mijn bruine stamkroeg en het was de dag voor Valentijnsdag. Wat ik dronk? Ik weet het niet meer precies. Maar je kent mij, ik ben een doorgewinterde bierdrinker dus het zal wel iets van een dubbel-moutgebrand-half-Belgisch-klooster-trappistje zijn geweest, of een rechtsdraaiende pilsener.
Waarom ze naast mij ging zitten weet ik niet, ik heb het eigenlijk helemaal niet gevraagd. Ik bedoel, er waren nog zo’n acht andere barkrukken onbezet die automatisch een kruk tussen haar en een andere kroegganger zou laten.

“Zware dag gehad?” vroeg ze.
Het was puur toeval dat ik op dat moment even over de bruine bar bungelde en heel opzichtig zat te gapen. Ik bedoel, zo’n drukke dag had ik niet.
“Nee, jij wel?” zei ik bot. Ja, ik kan wel heel geïnteresseerd gaan zitten doen, maar ik was achterdochtig snap je? Een knappe dame die uit het niets vraagt hoe mijn dag was? Daar moet wel iets gesructureerd mis mee zijn.
“Nee, maar je kwam nou niet heel energiek over.”
“Mijn excuses.”
“Dus,” zuchte ze “Hoe ziet jouw droomvrouw er dan uit?” waarna ze snel een slokje nam uit haar vette fluitjesglas.
“Ze moet vals zijn. Oneindig lange blonde haren hebben, totale desintresse voor mij hebben, bloedmooi en uit zijn op het geld dat ik nog niet heb verdiend.”
“Goedemorgen” lachtte ze, “is er iemand nog niet helemaal over zijn ex heen?”
Ik grinnikte schuldig.
“Natuurlijk wel,” loog ik, “anders zou ik zo’n grapje toch niet maken?”
De dame kneep haar grote blauwe ogen een klein beetje dicht.
“Daar zit wat in.”

Natuurlijk was het klinklare onzin. Iemand dit een dergelijk grapje maakt, of – ik noem maar iets – dit verhaal schrijft is nog lang niet over al zijn oude geliefdes heen. Maar wat kan ik zeggen? Een gelukkige schrijver is als een vegetarische slager of een tevreden cabaretier.

“Hoe heet ze”
“Emma”, antwoordde ik.
Natuurlijk had ze alle reden mijn leugentjes te geloven, alles wat iemand bij de eerste ontmoeting zegt is waar, geen reden om anders te doen vermoeden.
“En bij jou? Getrouwd? Gescheiden? Bezet? Alledrie?”
De dame glimlachte. “Daar praat ik niet zo snel over hoor!”
“Dat is ook niet eerlijk.”
“Klopt.”

Ik nam de ongemakkelijke stilte om de dame aan te kijken, wat het negen van de tien keer alleen maar ongemakkelijker maakt. Maar toen niet. Ik glimlachte, zij glimlachte terug. Het moet er achtelijk uit hebben gezien; twee mensen op een oude barkrukken die zwijgend naar elkaar lachen voor zeker 5 – zeg 10 – seconden.
Had ik al gezegd dat ze felrode lippenstift droeg? Echt wauw!
Ik gebaarde of ze nog wat wilde drinken. De dame knikte. Dezelfde vette glazen werden zorgvuldig door de barman hervuld.

“Proost.”

Op het moment dat onze glazen raakten werd ik getrakteerd op de spannendste knipoog ooit. Ik dacht dat ik doodging.
Haar korte postuur deed vermoeden dat ze jonger was dan ik. Haar golvende bruine lokken en brede glimlach bevestigde dat vermoeden. Bovendien, dat lange speelse blauwe jurkje doe je ook niet meer aan na je vijfentwintigste.
“Mag ik dan minstens weten hoe oud je bent?”
De dame pakte haar vettige fluitje.
“Moeilijk” mompelde ze.
“Tweeëntwig?” gisde ik. Overigens was dat de eerste keer dat ik iets oprechts zei die avond, dat je het weet.
“Jij bent niet zo’n goede versierder of wel?”

Ik moest lachen, pak op mijn beurt mijn – wat was het ook al weer – en nam een flinke slok. Ik schudde mijn hoofd. De brede glimlach en dichtgeknepen oogjes van het meisje verraadde dat ik er niet ver naast zat.
“Mag ik dan minstens weten hoe je heet?”
De dame begint hard te lachen met haar hand voor d’r mond.
“Oh kom op, geef mij iets om mee te werken!” Ik sloeg met mijn hand hard op de donkergroene bar “Ik kan niet bij mijn vrienden aankomen dit weekend en alleen maar zeggen dat ‘ze’ heel knap was, zonder een naam, leeftijd of liefdesgeschiedenis.”
“Emma” mompelt ze. “Sorry ik heet echt Emma.”
Ik was bijna vergeten dat ik voor mijn ex het speudoniem ‘Emma’ had gebruikt.
“Nog een laatste dan?” lulde ik eroverheen.
“Hoezo laatste.”
Ik kijk op mijn horloge.
“Ze hebben zometeen de laatste ronde” legde ik uit “Daar duikt elke gast bovenop als een stel festivalgangers op de laatste Lowlandskaartjes.”
“We kunnen het maar voor zijn hè?” zei ze terecht.
Ik gebaarde voor het laatst die avond dat we nog twee drankjes wilden hebben. Bij aankomst van de vettige glazen met pils erin gooide ik wat tientjes onder mijn lege glas. Natuurlijk, véél te veel, maar ik moest zeker weten dat het ook de lading dekte van Emma’s rekening. Gentlemen zijn misschien zeldzaam en ondergewaardeerd anno 2014, maar ik moest er zeker van zijn dat ik in Emma’s oren knoopte dat ik er één van was. Ik zag dat ze iets protesterends en semi-feministisch wilde gaan zeggen maar ik knikte dat het wel snor zat.

“Kan je alsjeblieft niet zo naar mij lachen?” zei ik net ietsje te hard.
“Hoezo” fluistert ze, en ze kwam met haar rode lippen dichterbij mijn oor “wordt je er een beetje ogemakkeijk van?”
Ik deinsde met mijn hoofd een beetje terug en knik schuldig.
Weer die knipoog. Ik hield het niet meer. En natuurlijk, natuurlijk is het onverstandig om iemand te zoenen midden in een kroeg, maar je weet hoe het gaat na een paar drankjes. Dan waan je je alleen, alleen en met z’n tweeën. Ik rook haar adem, haar parfum vlak voor onze lippen elkaar raakten. De rest is geschiedenis.

“Is het echt zo gegaan?” snauwt mijn broer.
Ik kijk op van dit vel papier.
Mijn broer kijkt mij met grote verbaasde ogen aan.
“Nee,” mompel ik nog half bij mijn verhaal “maar zou mooi zijn.”
“Slaat echt nergens op! Je had haar minstens twee keer d’r mobiel moeten laten pakken om het geloofwaardig te maken.”
Ik probeer te glimlachen als de dame uit mijn verhaal.
“Een heel gesprek zonder te Facebooken?” vervolgt hij “dat doet toch níémand meer?”
Ik schud mijn hoofd.
Mijn Emma werd overigens hardstikke gelukkig hoor. Met een halfzacht kantoorlulletje die niets te melden had, maar wel de wintersport betaalde. Niet romantisch, wel handig. Ik heb er nog een kat en kinderen bij bedacht, maar nog niet opgeschreven.
Ik houd op met voorlezen, want mijn broer staat op van mijn bank.
“Ik ga er vandoor,” zegt hij terwijl hij opzichtig zijn onderbroek weer goed doet en een boer laat, “ik ga nog even mijn af-en-toetje vol blaffen, ze komt zo terug van haar twerk-cursus.”
“Is goed boef, succes.”

Dinertafel

Als de moeder van Sophie een jaar of acht jonger was geweest had ik daar wel voor getekend. Ze lijkt erg op mijn toekomstige ex-vriendin, alleen, aardig. Precies dezelfde schoonheid: grote blauwe ogen, een lang slank lichaam een eindeloze bruine lokken. Allen met het talent een warm – en met emotie beladen – gesprek te voeren. Maar ik moet toegeven dat ik tijdens de borrel al door dat zij ook niet mijn droomvrouw was. Ze begon foto’s te maken van de cadeaus onder de kerstboom en van de versgedekte dinertafel, om ze vervolgens met iedereen te delen over Facebook. Beetje uilskuikerig voor een volwassen vrouw, al was dat ook binnen mijn sociale-media-kring eerder regel dan uitzondering. Maar faken dat deze avond ook maar een beetje kersgezelligheid voor ons te bieden had, was misschien wel de grootste leugen op mijn timeline van dit weekend.

De dinertafel is lang en precies gedecoreerd als in de clichématige kerstfilms van Hollywood. De vader van Sophie zit aan het hoofd van de tafel, ik aan het achterwerk. Je kunt aan de tafel natuurlijk niet precies zien wat het hoofd en wat de achterkant is, maar bij Sophies familie is het altijd heel duidelijk. Eduard, heet hij. En Eduard lacht nooit. Ik heb nog nooit een persoon gezien waarbij de mondhoeken zo diep gezonken zijn als bij mijn schoonvader. Ik weet in ieder geval waar mijn vriendin het van heeft. Eduard had het opzienbarende talent elke positieve gedachte in no-time om te buigen tot deprimerende hersenschimmen.
“Ze hebben een middel tegen longkanker gevonden”, zegt Sophie halverwege haar tweede handje gezouten pinda’s.
Na een norse grom van haar vader merkt hij op “dat het wel te laat was voor zijn moeder” die ergens vlak voor Jura bezweek aan de ziekte.
Zoek het woord ‘negatief’ op in het woordenboek en je komt Sophies vader tegen.
Wat deed ik hier? Ik bedoel, ik was ook gewoon uitgenodigd bij mijn eigen familie. Daar gaan ze zo gourmetten. Lees: het sfeerverhogend verneuken van goed vlees is. Dan was ik toch lekker zonder Sophie gekomen? Zou mijn moeder fantastisch vinden. Na kerst is het toch over tussen ons. App ik toch even door dat het uit is?

“Moet dat nou?”, brulde Eduard naar zijn zoon links van hem, “haal die vieze ellebogen van tafel. Je leert het godverdomme ook nooit!”
“Sorry…” mompelt Willem en hij buigt zijn hoofd richting het zilveren bord met servet erop.
“En doe de volgende Kerst even wat netjes aan zoon! Je bent geen twaalf meer.”
Natuurlijk was Willem nog wel twaalf, in zijn hoofd. ‘Iets netjes’ had hij waarschijnlijk niet eens in zijn kast liggen. Willem haalt zijn schouders en mompelt iets tegen zijn gebreide wijnrode trui. Zwijgend kijk ik toe.

“Gezellig!”, gooit Sophies moeder in de groep, “Nu we toch allemaal zitten, maak ik de hertenbiefstuk klaar.”
“Hopelijk is het voorgerecht wel te eten…” fluistert Eduard op een volume dat juist iedereen het kan horen.
“Toe nou lieverd!”
“Het is toch zo, laten we wel wezen! Bij het eten van die biefstuk vraag ik mij elk jaar weer af of het het hert waard was. Als de jager wist van jouw biefstuk, had hij denk ik niet geschoten. Ik zit godsgloeiende nog op die biefstuk van vorig jaar te knagen!”
Ik moet lachen, maar ik durf niet. En ook Sophie en Willem hebben even geen woorden klaar om de situatie wat gemakkelijker te maken.
“Het voorgerecht is poenpoensoep.” Aldus mijn schoonmoeder, en ze verdween in de keuken.
Ik zie in de ogen van Sophies moeder dezelfde emotie als die mij heeft gevangen. Ik zie haar zich dezelfde vraag stellen.
‘Wat weerhoudt me? wat weerhoudt mij om die mondhoeken door te trekken tot aan zijn knieën en zijn tweedehands colbert ritueel te verbranden?’
“Eh Willem?” zegt Sophie.

Aan de overkant is het stil.

“Willem!”

“Heb je het tegen mij?”

Ik hoor Eduard hardop zuchten.

“Ben je bij ons met oudjaar?”

“Dat had ik toch al beloofd?”

Vorige keer dat Willem had ‘beloofd’ op het familiediner te komen zat hij vast in een politiecel in Amsterdam voor het stelen van schoenen. Het verbaasde hem zo erg dat schoenen zo gemakkelijk mee te nemen waren uit winkels dat hij volledige etalages van de Kalverstraat had leeggeroofd. Overigens wel allemaal netjes in zijn eigen maat. Hij kwam er in de cel pas achter dat alle exemplaren voor de linker voet waren bedoeld, iets waar hij nooit aan had gedacht.
Het feit dat hij vanavond op tijd is komen opdagen kost mij al een tientje.
“Ik houd je eraan broertje”

Zwijgend wordt de poenpoensoep geserveerd. Eerst komt de pan op tafel. Een minuut later wordt de stilte doorbroken door klinkende borden met kommen erop. Het is voor iedereen duidelijk dat de kans dat de vrouw des huizes een fifty-fifty kans heeft het servies op de grond te laten kletteren. Niemand verrekt een spier.
“Dankje”, zeg ik als de laatste kom mij bereikt.
De soep heeft aan tafel het meest te zeggen. Ik ben al lang blij dat er wat te eten op tafel staat. Na een stil kwartier sjokt de moeder van Sophie weer naar de keuken. Aan de blik van Eduard te zien voor de hertenbiefstuk.
Ik voel me al lang niet meer gespannen in dit soort situaties, ik ben ze wel gewend. Dat betekent niet dat het correct is. Als ik Sophie elke dag ik haar gezicht zou spugen en op Badirhariaanse wijze in elkaar zou meppen zal het ongetwijfeld ook wennen. Voordeel daaraan is dat ik in een keer van haar af ben.

We horen Willem nog slurpen, die in alle rust zijn soep soldaat zit te maken. Sophie lacht. Glimlacht. Onder die dikke laag make-up en rode lippenstift zie ik dat ze net zo gelukkig is als ik miserabel.
“Alles goed lief?” vraagt Sophie.
Ik reageer niet.
Sophie legt een hand op mijn been en lacht weer. Alsof alles doodnormaal is. Alsof er niets gebeurd is. Alsof ze altijd zo lief voor mij is.
Gelukkig vangt haar moeder alle aandacht. De tafel kijkt toe hoe ze – wonderbaarlijk genoeg – met vijf borden over haar dunne armpjes verdeelt de keuken uit komt. Ik durf nauwelijks met mijn ogen te knipperen. Elke druppeltje jus wordt nauwlettend richting het tapijt gekeken. Niemand verroert een vin. Het geluid van klinkende borden en knikkende knieën vult de kamer. Ik zie dat het bord dat tussen haar linker ringvinger en pink als eerste sneuvelt. De schriele pink kan het niet meer hebben. En daarmee is een kettingreactie gestart. Het tweede bord valt ook. De dame wankelt en straalt totale paniek uit. Inmiddels liggen er meer ingrediënten op het tapijt dan op de borden. Bij het vallen van het derde bord probeert Sophies moeder met haar andere hand nog een biefstukje te redden, wat ook het einde betekent voor de laatste twee hoofdgerecht. De moeder van Sophie is het laatste wat op grond klettert.
Opeens komt de familie in actie. Ik zie Eduard nog intern juichen om de gesneuvelde biefstukjes .
Sophie en Willem pakken beide een trillend armpje van hun moeder. Ik pak mijn jas, doe vluchtig mijn iPhone uit en ontsnap. Buiten ruik aan mijn colbert. In de verre verte herken ik nog die stevige gourmetlucht. Die krijg je er nooit helemaal uit.