Mijn moeder, Sneuvel en ik

Ik heb in mijn jeugd slechts één enkel catastrofaal moment gehad. Gezonde ouders, geen nare ziektes en een irritant broertje, wat niet uitmaakte zolang ik in alles beter was dan hij. Mijn beide opa’s zijn gestorven, dat dan weer wel. Een aan longkanker en de opa Veenstra ligt hoogstwaarschijnlijk nog te fibrilleren van de Parkinson. Maar ze zijn gestorven toen ik nog heel jong was. Zeven moet ik zijn geweest, een leeftijd dat ik me nog niet bewust was van de dood, en hoe erg dat eigenlijk is.
“Als ze vragen ‘heb je Parkinson?’ dan schud ik altijd maar van nee,” zei mijn opa wel eens.
Voor alle tegenslagen in het nietige leven van een kind beschermde mijn moeder mij, met hartstochtelijke passie. Een keer kwam ik terug van een zomerse schooldag en huilde tranen met tuiten. Ik had het voor elkaar gekregen mijn verzameling flippo’s te verliezen en nog een flippo of acht schuld te staan dat diende als rente voor de flippo’s die ik had geleend. Dat allemaal nadat ik ook mijn verzamelmap in de strijd had gegooid in een wanhopige poging weer met een volle terug te komen. Diezelfde dag nog had ik mijn verzameling bijna weer compleet en at het hele gezin zo’n drie weken uit opengebroken zakken chips. Volgens mijn vader zouden we er als volledig gezin aan onderdoor zijn gegaan, als ook knikkers en Pokémonkaarten enkel bij de chips te verkrijgen waren. ‘Kinderen eerst’ in de familie Veenstra. En een kind hoort geen verdriet te kennen.

Niet ontoevallig werd dat principe het meest op de proef gesteld bij huisdieren. Mijn moeder was een groot dierenliefhebber. Mijn vader, niet. Alleen met kerst of andere feestelijkheden. Dan besteedde hij meer aandacht aan beestjes dan wie ook in de familie. Fameus is mijn vaders hert of konijn in een mooie dikke rode wijnsaus. Heerlijk.
Volgens mijn moeder was het noodzaak voor een ‘gelukkig gezin’ om minstens één huisdier in het huishouden op te nemen.
Mijn broertje en ik mochten mee naar de dierenwinkel om een huisbeestje uit te zoeken. Die middag kwamen we terug met een dikke zwarte cavia voor mijn broertje en een kleine witte rat voor mij. Het was niet anders. Mijn broertje vond de rat eng, vooral de ruwe, roze staart. En ik vond dat de cavia een dikke reet had. Voordat een van ons een tegenslag zou moeten verwerken sprak mijn moeder, zoals verwacht, de verlossende woorden: “We nemen ze wel allebei, goed?”
Halverwege de terugrit naar huis kwamen we tot de conclusie dat een tweede kooi geen overbodige luxe was voor de ‘tamme’ diertjes. Het had niet veel gescheeld of de witte rat had korte metten gemaakt met de wat loggere cavia. Thuis moest ik mijn witte rat even laten onderduiken in een Nike schoenendoos. Mijn moeder zou terugkomen met een mooie privékooi voor de rat. Twintig minuten later hadden we een extra kooi. En een parkiet. Omdat mijn moeder die zo schattig vond.
Ik vulde de kooi met zaagsel en hooi en legde de kleine rat in de kooi. Net op tijd, want hij had zich al bijna een weg naar buiten gegeten door de claustrofobisch werkende Nike-doos.
“Als ze een beetje aan elkaar gewend zijn, dan kunnen ze wel bij elkaar ik de kooi!”, had mijn moeder beloofd. Tot die tijd stonden de kooitjes recht tegenover elkaar in de keuken.
“Hoe ga jij de rat noemen? Witje? Knabbel?”, vroeg mijn moeder.
Ik wist toen al dat mijn moeder veel waarde hechtte aan de naam van mijn huisdier. Ik kwam zeker niet weg met een buitenlandse naam, of nog erger de naam van mijn favoriete Pokémon. Mijn moeder keek me innig aan, alsof ze boos op mij ging worden.
“Karel,” floepte ik eruit.
Karel is een doodgewone Hollandse naam, dus daar kwam ik niet meer onderuit. De Cavia werd tot Zwartje gedoopt. Mijn broertje had nog niet de leeftijd om met iets geniaals als Karel aan te komen, dus de naam van het dier was gedoemd een van zijn drie eigenschappen te worden. Dikkont en Pieper waren afgevallen. De parkiet heette Piet. Van de uitbreiding van familie Veenstra vond mijn vader Piet het meest onuitstaanbaar.
“Wat een geluid maakt dat onnozele beest! Ik luister nog liever een volledige dag naar een stel nagels die over een schoolbord heen krassen. En het houdt maar niet op! Alsof dat gevleugelde mormel echt wat zinnigs te melden heeft.”
Piet deed mij meer denken aan een oude waterkoker die af en toe een halve seconde afging. Maar ik had niet zoveel met Piet. Piet kon je niet aaien en in tegenstelling tot Karel was het niet veilig hem uit je hand te laten eten.
Tot groot genoegen van mijn vader verliet Piet als eerste ons gelukkige gezin. Wie het kooitje open heeft gelaten is tot op de dag van vandaag onduidelijk.
“We mochten Piet maar eventjes houden, daarna moest hij terug naar zijn familie in de lucht,” legde mijn moeder uit. Dat was logisch, vogels hoorden nou eenmaal in de lucht.

Een week of drie later mochten Zwartje en Karel eindelijk bij elkaar in de kooi. Op aandringen van mijn vader, die meer dan één vierkante meter keuken per huisdier klinkklare onzin vond. Vanaf die nacht was Karel het enige huisdier van het gelukkige gezin Veenstra. Ik weet er de details niet meer van, maar Zwartje zou met opgeheven kinnetje het loodje hebben gelegd.
“We moesten Zwartje terugbrengen van de dierenwinkel,” legde mijn moeder uit, terwijl ze Karels rood uitgeslagen vacht aan het schrobben was. Karel was een echte vechter, een echte overlever. Ratjes hebben een levensverwachting van een jaar of twee, maar we hebben Karel zeker vijf jaar in huis gehad. Hij is wel een paar keer ziek naar de dierenarts geweest, maar hij kwam altijd weer gezond terug. Soms iets kleiner, soms met een kortere straat en één keer met een andere kleur ogen, maar altijd: kerngezond.

Toen ik tien was mochten we eindelijk een kat. Karel was toen al zes weken op het huis van de buren aan het passen. De buren waren namelijk op vakantie.
“Karel moet dat wel weg. Poezen eten ratjes op. Dat willen we niet hè?”, legde mijn moeder uit.
Ik schudde mijn hoofd, maar was Karel al vergeten bij het idee dat we een katje in huis mochten halen.
Ik dumpte met veel genoegen het eenzame lege kooitje in de container en maakte diezelfde middag nog met mijn broertje en mijn moeder een ritje naar het asiel. Heel schattig was hij. Zwart met een witte pootjes en een beetje aan de dikke kant. Dat zou d’r worden. Al stond mijn moeder op het punt het halve asiel leeg te roven.
“Oh, wat een schattig hondje! Kijk die rode kat nou!”
Gelukkig hadden wij mijn vader plechtig beloofd enkel en alleen met een kat terug te komen. Of nog beter: zonder huisdier.

Verrassend genoeg kon mijn moeder zich beheersen en kwamen we thuis met enkel de zwarte kat. De kat was geen binnenpoes. Wat een beetje vervelend was aangezien mijn moeder haar kostte wat kost binnen wilde houden. Er mocht niets met haar gebeuren. Maar de kat had al eens de buitenlucht geproefd en was niet meer te stoppen. Toen het lente werd was het het ergst. Ze was zelfs bereid een hersenschudding op te lopen in een poging door het raam van de schuifpui te knallen. Op een zeker moment had mijn vader schoon genoeg van het schepsel dat met een hoop lawaai en gemiauw tegen zijn been aan het oprijden was. Katten zoeken altijd aandacht bij de persoon die ze het minst aanstaan. In het Veenstra-gezin was dat zonder enige twijfel mijn vader. Toen hij zijn onder gepieste pantalon uittrok was voor hem de maat vol.
“Die kat gaat maar lekker naar buiten! Al mijn pakken stinken naar kattepis.”
Mijn broer en ik giechelden, zetten de televisie uit en keken aandachtig hoe onze vader in zijn onderbroek richting de voordeur liep. Als een hitsig konijn ging de kat achter hem aan, alsof ze er opuit was ook nog zijn zijde sokken te besprenkelen. Krakend ging de deur open. Ik ging naast mijn broekloze vader staan om te zien wat ze zou doen. Katten kennen geen twijfel. Die gaan gewoon. Katten kennen ook geen vreugde, of blijdschap, maar toen dacht ik het te bespeuren: ze was vrij. Vrij voor zeker anderhalve minuut. Want bij de eerste de beste Fiat Punto ging het mis. Ze had blijkbaar niet door dat het asfalt niet zo lekker gleed als onze parketvloer. En de oude dame in de Fiat kon het verschil tussen de kleur van de kat en het asfalt niet uit elkaar houden. Geschokt was ik. Geen dierenwinkel, geen luchtruim, niet bij de buren. De kat was onherroepelijk, onvervalst, ongeneselijk, onherstelbaar, dood. Misschien, heel misschien was ‘Sneuvel’ ook niet een al te gelukkig gekozen naam.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s