Beste kanker…

Beste kanker,

Het is- vandaag – precies twee jaar geleden dat ik je leerde kennen. Ik droeg je natuurlijk al een lange tijd bij mij, maar ik wist niet wie je was, hoe je heette. Lymfeklierkanker.

De prettigste uit jouw familie. De gezelligste van jouw soort. De leukste thuis.
Het zou geen lange relatie worden. Of affaire? Geef het een naam.
Twee jaar lijkt helemaal niet zo lang vind je ook niet?

Ik weet nog goed hoe ons avontuur begon, de dagen nadat we elkaar hadden ontmoet. Jij ging mij zulke vreselijke medicijnen laten slikken dat mijn vruchtbaarheid op het spel stond. Dus mocht ik voor de behandeling mij nog drie keertjes aftrekken in Leiden, om mijn zwemmertjes te laten invriezen.
“Dankjewel voor het afzetten, mam.”
Schaamte!

Maar niet half de schaamte van maanden later. Die medicijnen om van je af te komen namen ook mijn haren mee. Mijn bruine lokken! Die blauwe ogen van mij verliezen 90% van hun charme zonder mijn bruine haren. Waardeloos, als de volle lippen van Doutzen, op een veel te dikke buschauffeur. En zoals je wel weet kan ik een haarloze schedel nog wel hebben, maar toen ze één voor één ook mijn wenkbrauwharen ontnamen was het menens. Iedereen kon opeens zien dat wij iets hadden.

We hebben geluk gehad, want onze tijd samen was zeker niet altijd kommer en kwel. Bovendien zijn de lessen die je mij leerde zeldzaam en daarvoor ben ik dankbaar. Maar het ging gewoon echt niet meer, ik wilde gewoon weer mijn gezonde zelf zijn. Dus in oktober namen we afscheid en kon ik weer op mijzelf gaan wonen.

Sindsdien gaat het geregeld goed met mij. Soms ook niet. Maar ik kom er wel.
Ik denk veel aan je de laatste tijd, maar dat is normaal toch? Je komt nog veel voor in mijn dromen; echte nachtmerries.
Maar nu heb ik het weer over mezelf. Hoe is het eigenlijk met jou?

Beste kanker, het vandaag precies twee jaar geleden dat ik jou leerde kennen, en wat ik eigenlijk wilde zeggen;

Ik hoef je nooit meer te zien.

Krijg de kleren, van Krouwels

De echte post-kanker Kerst

Alsjeblieft zet die televisie uit! Ik kan het niet meer aanzien. Jaaroverzichten zover je kunt kijken. Kommer en kwel. Komkommer en kwel!
2016 was om te huilen. Maar deze kerst is magisch.

Wat voelt het heerlijk om dit jaar af te sluiten! Geen enkel jaar verdient een betere Kerstmis dan deze. Tweeduizend. Zestien. Man, man, man. Kerst, wat heb ik zin in jou! Kerstliederen, maffe familie – joh – al gaan we gourmetten, het doet me niets.

Het voelt voor mij ook echt als mijn eerste post-kanker Kerstmis. Natuurlijk was ik vorig jaar al schoon, ik kon alleen niet zeggen dat ik daar echt van genoot… Lange nachten met veel slaap, deprimerende korte dagen met veel stress. Ik heb uit ellende het hele kerstweekend 2015 in een restaurant gewerkt om maar te ontkomen aan emotionele familieleden die oh-zo gelukkig waren dat ik weer beter was.
En ik wilde alleen maar huilen en slapen.

Deze Kerst voelt pas echt als beter. Ik ga oppermachtig en dolgelukkig het nieuwe jaar in. En iedereen kan het zien. Mijn lange bruine manen hebben hun comeback gemaakt. Als ik in de spiegel kijk, lijkt het alsof er nooit iets met me is gebeurd.
“Kom maar hier mamalief! Ik knuffel je door de kerst!”
Kerstmis, ik heb zo veel zin in jou!

Geniet ervan mensen. Maar écht, geniet ervan. Laat de gourmetdampen diep in jullie kleding trekken. Lobber die eeuwenoude Merlot van oom Henk op alsof het pils is. Zing desnoods luidkeels mee met dat gesnater van Mariah Carey. Kan mij het schelen. Geniet!

Want denk maar niet dat 2017 er gezelliger uit gaat zien. We hebben mazzel als we bij de helft van de wereld horen die president Trump niet heeft gebombardeerd vanwege een kleinigheid op Twitter. En ja, ook in 2017 is jouw geliefde Zwarte Piet nog steeds racistisch. De oudejaarsjackpot? Die valt op het lot van je stinkend rijke buurman met die dikke BMW.
En onder premier Wilders betaal je gezellig 36 gulden 50 voor een biertje op het terras. Groetjes thuis.

Alsjeblieft – beloof mij – maak er een gezellige Kerst van!
Ik wens jou alle gezondheid en liefde in het komende jaar, juist nu die wat moeilijker te vinden zijn.
dsc_0031

Dood- en Doodgelukkig

Mijn laatste chemoronde begon precies een jaar geleden. Ik weet het nog goed, omdat ik precies die keer naast de meest inspirerende man zat van al mijn kuren. Meneer van Zandt. Meneer van Zandt zat naast mij in zo’n giga grote bruine stoel die doet denken aan een uit z’n krachten gegroeide bureaustoel met allerlei gadgets. Zijn vrouw zat naast hem in een plastic IKEA-kreng.

“Hoe vaak moet je nog?” vroeg hij terwijl een verpleegster zijn zakken chemo boven zijn infuus hing.
Een doodnormale vraag. De vraag: “hoe vaak moet je nog” is op de afdeling oncologie een beetje de “hé, alles goed” van het dagelijks leven.
“Hé, alles goed” kan op een afdeling vol doodzieke kankerpatiënten dikwijls een ingewikkeld antwoord hebben. “Hoe vaak nog?” heeft een kort en bondig antwoord.

“Dit is de laatste,” zei ik vrolijk “En u?”
“Idem dito” zei meneer van Zandt.
Meneer van Zandt glimlachte tevreden.
Ik wilde hem opgewekt feliciteren, maar voor ik begon met praten barstte Mevrouw van Zandt  in huilen uit. Meneer van Zandt pakte haar hand stevig vast en fluisterde iets in haar oor.

Ik kreeg een brok in m’n keel.
Dat kan natuurlijk ook…
Mevrouw van Zandt graaide een zakdoekje uit haar bruine handtasje. Meneer van Zandt keek mij aan.
“Over een week zitten we op Cuba. Daar zijn we ook op huwelijksreis geweest. Prachtig land. Nog één reisje maken. Ik verheug me erop.”
Ik was stil.
“Het is wel goed zo hoor, ik ben heel gelukkig.”
Ik bleef stil.
Hij meende het. Ik kon het zien. Hij meende het. Ik had van mijn leven niet zo’n gelukkig, rustig, kalm en tevreden mens gezien. Hij troostte zijn vrouw. De vrouw die hij spoedig alleen zou laten. Hij hield van haar. Maar het leven? Het leven kon meneer van Zandt gestolen worden. Er was geen spijt ik zijn stem of ogen te bespeuren.

Ik begreep het goed. De dood kan een vreemde, rustgevende gelukzaligheid met zich meebrengen. Eentje die ik kende uit de tijd dat ik net in het ziekenhuis lag met enkel de diagnose “kanker”. Het is pas als we de dood in de ogen kijken, dat je alle stress van het leven loslaat. Ik was nog nooit zo rustig in mijn hoofd.

Meneer van Zandt is inmiddels dood en ik ben genezen. Ik moet nog wel eens aan hem denken. Die machtig mooie gelukkige glimlach en heldere blauwe ogen van een man die wist dat hij ging sterven.

En voor mij? Elk cliché is waar als je een erge ziekte overleefd hebt. De zonsondergang is mooier, de seks is beter, de wijn smaakt zoeter.
En toch. De andere kant is ook waar, en dit is moeilijk om toe te geven. Want soms, heel soms wil ik het leven vragen “Echt waar leven? Is dit het? Is dit het waar ik voor vocht? Is dit het waar ik het voor overleefd heb?”
Het leven is beter, zeker niet makkelijker. Als ik God’s ongewild kind ben, dan so bi t.

Ik kreeg vandaag zelfs een uitnodiging voor een griepprik!
“Voor alle personen boven de 60 jaar en mensen met een speciale indicatie.” Nou dankjewel Rijksoverheid. Groetjes thuis.

Dus op zo’n moment fake ik een glimlach, een gelukkige glimlach die ik maar ééns zag, bij een man, die wist dat hij ging sterven.

dsc_0113

Één jaar geleden…

“Ga je het nog vieren,” vroeg mijn moeder over de telefoon, zo’n anderhalve week terug.
“Vieren? Vieren?!” vroeg ik, “Ik vind het nogal een vreemd idee, mam…”
“Toch een bijzondere dag,” mompelde ze in haar iPhone.
Daar had ze dan wel weer gelijk ik. Het is – met speling van een week – precies een jaar geleden dat ik van een vriendelijke, kale, grote longarts te horen kreeg dat ik lymfklierkanker had. Één jaar.
Een jaar geleden kreeg ik het slechtste nieuws uit mijn hele leven.

“Ik blijf wel staan,” zei ik in de muffe behandelkamer.
“Nee Joris, ga toch maar even zitten,” zei de vriendelijke longarts.
Mijn hoofd werd licht, ik zakte naar de grond alsof ik zeik- en zeiknatte kleding droeg. De kleine Krouwels, die altijd een woordje klaar had, wist even niet zo goed wat hij moest zeggen. Een machteloos, loodzwaar en verlammend gevoel.
Voor Ajacieden het best te vergelijken met “1-1, de Graafschap”.

Die dag ga je toch niet vieren?
“Ik snap het wel hoor!” zei mijn collega Floor.
“Ik vier mijn diagnose nog elk jaar!”
Even voor de uitleg, Floor heeft diabetes.
“Ik vier mijn diagnose altijd met het bakken van een taart of iets anders lekker fouts. Er even bij stilstaan, maar dan leuk.”
Ik moest er wel om lachen.
“Maar goed, genezen zal ik waarschijnlijk niet. Misschien is dat anders.”
Daar had Floor natuurlijk een punt.
“Je haar ziet er wel weer fantastisch uit!”, die hoor ik ook veel!
Complimenten over het haar vervelen nooit bij ex-chemopatiënten, geloof mij maar. Ik merk hoe meer haar ik krijg hoe moeilijker ik het vind om tegen foto’s aan te kijken met mijn kale knikker erop. Met kapsel ben ik ook niet knap, maar goedemorgen… Wenkbrauwloos stond mij toch slechter dan ik eigenlijk dacht. Ik heb het tegen jullie! Weken lang roepen: “Je kan het goed hebben hoor, Joor!”
Leugens.

Gaat het goed met mij? (Die vraag hoor ik nog wel het meest.) Ja absoluut. Ik heb fysieke weer ontzettend veel power, dat voelt zo heerlijk. En ik ervaar mentaal steeds meer rust.
Ik krijg het gevoel dat ik het chemo-trauma nu pas een beetje kan verwerken. En dat duurt denk ik langer dan een jaar. Is het werkelijk een traumatisch jaar geweest? Absoluut niet! Ik heb zo ontzettend veel lieve mensen ontmoet en om mij heen gehad.  Ik heb nog schandalig veel pret gehad, zo tussen de chemokuren door. Het jaar is knap snel voorbij gegaan.

Maar de verjaardag van slecht nieuws vieren? Ik weet het niet hoor. Het was gisteren twee jaar geleden dat het meisje van m’n dromen met m’n beste vriend naar bed is gegaan. Dus ik taart bakken, alles erop en eraan… Wat, een, kutdag.
Ik bel jullie wel in oktober, dan heb ik écht wat te vieren!
blogbroodjuni216

Een volwassen man & zijn hamster

Als ik iets van mijn ex-vriendinnetje heb geleerd is dat als je iets mist, je het zo snel mogelijk moet vervangen door iets anders. Dus toen mijn lieve hamster Mort op Tweede Paasdag stierf, ergens rond 19 maandige leeftijd, ging ik een dag later meteen opzoek naar een nieuwe. Haarlem kent wat dieren(speciaal)zaken, maar dat zaakje in de Gierstraat is voor mij de dichtstbijzijnde.

“Nee,” zei ik, “geen voer of hooi dit maal. Ik moet opzoek naar een nieuwe bewoner voor het kooitje. Drie dagen na Goede Vrijdag stond onze Heer glorieus op uit het graf, en op die dag besloot mijn hamstertje de hoek om te gaan.”
De oude dame van de winkel condoleerde mij vriendelijk. Het was waarschijnlijk een hartstilstand.
Ik werd netjes begeleid naar de glazen hokjes waar alle knaagdieren op stal stonden. Of lagen eigenlijk. Het was half drie op dinsdag, ik hoef alle hamsterliefhebbers niet uit te leggen dat dat bedtijd is voor die beestjes. Hamsters zijn nachtegalen en ik ben dat ook. Maar door het glas kon je toch nog een beetje spieken: eentje helemaal wit, eentje een beetje kaal een ander had een iets grotere staart dan ik van hamsters gewend was.
Wat kon ik zeggen? Ik werd niet verliefd. Niet zoals op de dag dat ik Mort had uitgekozen. Toen zat hij in de tweede kooi, als enige van de hamsters was hij wakker en was driftig zijn flesje water soldaat aan het maken. Een lange goudbruine vacht, met uitpuilend konthaar naast zijn staartje; het was meteen een match.

Maar goed, ik stond dus voor een aantal kooitjes met hamsters erin en ik had al verteld dat ik voor zo’n beest kwam. Ik kon als volwassen kerel niet tegen mijn vaste dierenwinkel gaan zeggen “dat er niets tussen zit”. Dus ik nam er gewoon maar eentje mee, zodat ik niet zo eenzaam zou zijn. De naam verzon ik nog wel. En wat kon het echt kwaad? Wat betaal je tegenwoordig voor een hamster? 10 euro? Het hinderde niet. Ik betaalde het dier, kreeg hem mee in een kartonnen doosje en liep naar huis.

Eenmaal thuis kwam ik er achter dat ik het kooitje van Mort nog helemaal niet had opgeruimd en schoon gemaakt. Al zijn spulletjes lagen nog in de kooi. Zoals dat ijzeren radje wat zo jeukend piepje gaf als Mortje erin rende alsof z’n leven ervan afhing. En dat lelijke voederbakje waar Mort zelf twee keer in paste. Ik had de foto van ons twee op de bank zelfs nog niet van mijn bureau verwijderd. Misschien had ik toch niet zoveel opgestoken van mijn ex-vriendinnetje.

Ik moet nog even terugdenken aan de tijd dat ik filmpjes van Mort verspreidde over verschillende social media als hij weer eens zijn voer aan het hamsteren was, of zijn vreemde obsessie met mijn garen als hij even opgesloten zat voor de schoonmaakbeurt van zijn kooitje. Ik heb hem zelfs een keer laten dansen op KC & the Sunshine Band.

Ik betrap mijzelf erop dat ik veel van de filmpjes even snel afspeel op mijn telefoon en pink een traantje of twee weg.
“Lieve Mort”, mompelde ik.
Mijn kleren voelen zwaarder en bij het laatste filmpje plof ik neer op de bank.
Toen ik een dof piepje hoorde, was ik al te laat…

mortje blog

Verbrand dus maar niet je Oudejaarslot

Het was wel lef van Mathijs Bouman gistermiddag toen hij live voor Nederlandse televisie zijn Oudejaarslot in de fik stak. Het was zijn manier om de Nederlanders een lesje te leren in kans berekenen. De kans dat jij de loterij wint is namelijk nul. Niet helemaal. Maar afgerond nul. De kans dat ie valt? Honderd procent! De kans dat jij vannacht een miljoenengat in de lucht springt? Nul dus. Reden voor Mathijs om zijn lootje te verbranden. “Met kansberekening zijn we zo dom als een aap”, aldus de gerespecteerde econoom van RTL Z.

In diezelfde wijsheid was dat de kans dat ik, 31 december 2014, binnen datzelfde jaar geconstateerd zou worden met kanker, nul. Natuurlijk er was wel een kans, maar afgerond? Nul. Totaal afwezig. Als het puur gaat om lymfklierkanker, was mijn kankerkans zelfs kleiner dan de winkans van Mathijs lootje. Ja, natuurlijker zouden in 2015 minstens 300 mensen geconstateerd worden met lymfklierkanker, honderd procent, maar de kans dat ik dat zou krijgen? Nul.

31 december 2014 had ik lymfklierkanker. Ik wist het nog niet, maar ik had het wel. Wat als ik toen niet Mathijs’ lootje, maar mijn chemokuur in mijn handen zou hebben? Met hetzelfde rationele denken. Noemen we het niet droomdenken, maar doemdenken. Ik weet niet of ik dan net zo enthousiast de Nederlanders een grof lesje kans berekenen had gegeven als Mathijs.

Kanker vergelijken met een Oudejaarslot gaat misschien wat ver, maar ik wil het opnemen voor het droomdenken. In het filmpje maakt de econoom gehakt van dat “magisch denken”. Maar dat is toch de reden dat we meedoen? We weten allemaal dat we niet winnen, maar elke Kerst komt de discussie op tafel wat we zouden doen met die dertig miljoen. Door héél Nederland. Dat is toch fantastisch. Dat dromen alleen al maakt toch gelukkig? En ook dat zaniken achteraf. Dat we met een giga-kater – ergens begin januari -mokkend de Primera in mógen lopen voor een verkrukkeld vijfje. Waarschijnlijk ook nog om het in te wisselen voor een pakje Marlborro, omdat de goede voornemens wederom een glorieloze dood zijn gestorven.

Sorry Mathijs Bouman – want ik mag je altijd graag bij De Wereld Draait Door –  maar lazer even op met je kansen. Teveel in deze wereld is gebaseerd op kansen, cijfertjes, prognoses, voorspellingen, procenten en de mensen die daar gebruik van maken. Als we in 2016 jouw kansberekening los laten op alle dromen, op alle toekomst, op alle liefde, dan sterven goede mensen echt uit. Hoe ik dat weet? Dat weet ik gewoon. Excuus. Ik heb daar geen cijfers van.

Voor mij was 2015 het meest onvoorspelbare jaar van mijn leven en ook ik eindig dit jaar met champagneglas in de ene, en staatslot in de andere hand. Hoe kan ik daar niet een beetje om huilen?
Als je mij eind mei had verteld dat ik 2016 gezond en wel zou inluiden met een bosje haar op mijn pan, had ik je als droomdenker bestempeld.

Ik wens iedereen een ontzettend gezond, gelukkig en totaal onvoorspelbaar goed 2016! En mocht je nou écht die Jackpot zo graag willen hebben. De truc is: koop volgend jaar 4,2 miljoen van die lootjes, ik wens je er veel plezier mee… Je zult zien dat ie op een half lot valt.

Hier nog één keertje Mathijs. Schrijf jij z’n lotnummer op?

DSC_0196 (1)

Mijn post-kanker-dip


Het is nu vier weken geleden dat ik kankervrij ben verklaard. Ik krijg zelfs weer haar. Mijn medicatie? Nul! Geen pillen meer, geen chemo meer, geen ziekenhuisbezoeken. Het leven, voor mij, mag weer beginnen. Ja, het leven gaat door. Maar laat dat nou net hetgeen zijn wat het leven zo ontzettend moeilijk maakt.

Toen ik te horen kreeg dat mijn periode als kankerpatiëntje ten einde was zag ik het geluk in de ogen van mijn ouders. Mijn vader was trots, mijn moeder barstte in tranen uit. Oprecht, ik had het niet anders willen zien. Ik weet niet precies wat ik voelde, maar voor het eerst in tijden was ik bang. De strijdbijl kan worden begraven, de eindbaas die lymfklierkanker heet is verslagen en verdomd, ik heb nog een leven over. Maar wat doet Mario als hij Bowser heeft verslagen? Dat vertelt het gemiddelde videospelletje niet.

Om eerlijk te zijn voelde ik mij de laatste weken best wel slecht. En het erge is, ik schaam me om dat te zeggen. Ik heb kanker overleefd, als er iemand een dankbaar gat ik de lucht zou moeten springen is het meneertje Krouwels wel.  Maar dat is moeilijker dan ik mij van te voren had voorgesteld.

De hoop was er dat ik na mijn chemorondes weer snoeihard gas erop kon zetten en 200% zou functioneren. Helaas. Lichaam en geest stribbelen tegen. Niet gek eigenlijk.

Mijn lichaam heeft 19 weken zoveel chemische zooi moeten verwerken. Waar ik onder de antibiotica Prednison zo 18 uur kon werken met een kleine vier uur slaap, heb ik nu 10 uur slaap per dag nodig. Ik heb een recordaantal infecties opgelopen in de laatste veertien dagen. Frustrerend is dat: heb je net kanker achter de rug,  mag je meteen balend in je bed liggen met een stevig griepje en een vermoeidheid die ik herken van overspannen veertigers. Typisch nietwaar? Ik was lichamelijk sterker tijdens mij chemotherapie dan dat ik nu ben.

Ik ben gewoon nog een beetje moe van de strijd die ik zo glorieus heb gewonnen. Ik slaap teveel en schrijf te weinig. Het was niet helemaal reëel van mezelf te verwachten meteen weer gas op die lolly te gooien. Je vraagt Froome ook niet even de Giro te rijden, een dag nadat hij de Tour won.

Maar ik pak de draad weer op. Met de dag word ik fitter. Met de dag komt de rust in mijn koppie terug. En met de dag pak ik mijn verantwoordelijkheden weer op. Kanker hebben was makkelijk: als ik die chemo maar binnen hield en overleefde, dan was ik door het volk als held bestempeld. Ik heb nu gewoon een agenda, en – ik noem maar iets – dingen te doen! Kan je gestresst van worden man, dingen plannen! Was het bijna vergeten.

Maar het lukt me hoor! Ik krijg veel hulp van mijn omgeving, vrienden, familie en collega’s. Sommige mensen hebben een winterdipje, ik heb een post-kankerdipje. Jullie kennen mij; ik blijf positief. Voorlopig geniet ik met volle teugen van mijn volle wenkbrauwen die als kool zijn gegroeid. En ik heb ook weer een lief donsje op mijn schedel. Het doet een beetje denken aan die baardgroei die veertienjarige pubers krijgen na hun eerste scheerbeurt of op de bovenlipbeharing van een zeventig jaar oude dame. Vooruit, iedereen mag voelen…
DSC_0096

Behandeling is klaar, tijd voor een CT-scan

Toen ik mijn afspraak maakte voor mijn laatste CT-scan dacht ik dat het een goed idee was:
“Doe maar in de ochtend, dan sla ik alleen het ontbijt over, wel zo makkelijk!”
Je mag namelijk zes uur niet eten of drinken voor een scan. Wat een ontzettend dom plan! Ik had nog geen CT-tunnel gezien en mijn niet-eten-teller stond inmiddels op 10 uur. Wat werd ik knorrig!

Maar goed, het mocht de pret van de nucleaire vloeistof en de contrastvloeistof niet drukken. (Contrastvloeistof geef een super warm gevoel in je aderen, tering lachen!) Zoals je op het plaatje kan zien moest ik wel weer geprikt worden voor die ellende want na mijn laatste chemo, mocht de PICC-lijn eruit. Zestien keer heen en weer in dat futuristische onding, niet-eten-teller stond inmiddels op 13 uur en ik mocht naar huis. Na twee keer een CT-scan is het allemaal niet zo spannend meer.

Het wachten op de uitslag was des te spannender. Twee dagen nauwelijks geslapen. Mensen op mij heen stelde me gerust: “Het zit wel snor, het was de vorige keer al zo goed, kan toch haast niet misgaan”, en andere opmerkingen die mij alleen zenuwachtiger maakte.

Het zijn van die goedbedoelde opmerkingen aan mij bleven steken. Toen ik negen weken geleden na mijn scan opschreef dat de activiteit van de kankercellen op nul stond, was de meest gestelde vraag: “Maar je bent er nu toch vanaf?”, terwijl de zwaarste chemokuur nog voor de deur stond! Als iemand met een griepje geen koorts meer heeft kan je stellen “dat je er wel vanaf bent”, dat ligt bij kanker een beetje anders.

Vandaag de uitslag. Ik laat jullie ook niet meer in spanning: “Complete remissie.” De twee woorden die ik wilde horen. Alle tekenen van de ziekte zijn verdwenen. Het is nu officieel: ik ben geen kankerpatiëntje meer. Volgende afspraak in het ziekenhuis: over drie maanden! De eerste kappersafspraak is waarschijnlijk eerder.

Voor ik over een complete genezing mag praten moet ik twee kankervrije jaren achter de rug hebben. Dat idee blijft stiekem een beetje steken. Maar goed dat mag de pret niet drukken. De champagne mag open, mijn niet-drinken-teller staat inmiddels al zeker op een minuut of anderhalf!

Snapchat-1837736673655322295

Laatste blog… Over kanker dan!

De dag is daar: de laatste dag aan het infuus. Dat wil zeggen dat de laatste zakken chemo soldaat worden gemaakt. Wat heb ik mazzel gehad. Met mijn lichaam, met mijn ziekte en met mijn hartverwarmende omgeving. Mijn laatste CT-scan: 13 oktober. Het komt nu toch echt binnen: Joris, over een week of wat mag je weer naar de kapper!

Geef me even om in clichés te praten. Want ik vind mezelf geen bijzonder persoon, maar ik vind wel dat ik iets heel bijzonders heb meegemaakt. Of ik nou een ander persoon ben geworden? Ga alsjeblieft een heel eind wieberen, dat is gewoon niet zo. Achttien weken kanker is soms wat zwaar, maar misschien te kort om kolossaal anders in het leven te gaan staan. Al zal deze ziekte mij voor de rest van mijn leven veranderen. Terugkijken komt later, want dat kan ik nu niet hier, a la minute.

Het was de bedoeling – van een hogere macht – dat ik ergens rond mijn zevenentwintigste de grond in mocht. Al dan niet met een fantastisch kapsel.
Maar ik woon in een wereld waar ze over middelen beschikken die mij kaal maken en genezen. Ik mag in mijn handjes knijpen!
Er is altijd tijd tekort. Elk moment dat mijn benen, mijn stem, mijn vingers en mijn jodocus het nog doen, is er één meegenomen. Geniet! En onthoud het, voor we in veel te rap tempo veel te oud worden in veel te korte tijd. Het leven is niet wat het is, het is wat je ervan maakt.

Ik heb elk jaar van mijn leven meer vrienden gemaakt dan ik ben kwijtgeraakt en dat zal dit jaar niet anders zijn. Ik zou het niet anders willen zien. Kanker heb je nooit alleen. Dolgelukkig is deze – nog twee uur – kankerpatiënt dat ik deze last met zo’n stoer sociaal arsenaal heb mogen delen. Die stapel kaarten, berichten, liters gezelligheid en dansuren die mij de laatste achttien weken zijn gegund? Mensen die zich aangesproken voelen: jullie zijn zó te gek! Hoef ik niet kaal voor te zijn om daarmee te pronken.

Deze periode is begonnen met een handje vol mensen die af en toe een kopje koffie bij mij kwamen drinken in Heemstede of in het ziekenhuis – mijn allerbeste vrienden – en het eindigt met mensenmassa’s die bij Vooges strand komen chillen om te kijken hoe het met mij gaat, al is het maar om dat patiëntje en zijn knappe broer in het restaurant te zien shinen, ergens rond hun zestigste werkuur van de week. Man, als je mij dat van te voren had verteld, had ik je voor gek verklaard. Debiel om te zeggen; maar wat een topzomer!

En misschien, heel misschien is mijn hart te klein voor mijn grote wereld, maar vergeef mij dat alsjeblieft.

Kans op terugkomen…
Ik hoorde net dat de kans dat de kanker terugkomt ergens rond de twintig procent ligt. Een beangstigend hoog percentage. Ja, natuurlijk, als ik in het casino sta, gokte ik ook op team-Joris, maar toch! We gaan het zien. Ik ben nu gewoon een beetje bang, dat gaat wel over. Bovendien. Als ik de eerste twee jaar uitzit, is de terugkomkans al onder de drie procent, dus waar hebben we het over? De kans is groter dat PvdA de volgende verkiezingen wint!

En nu? Tja, als jullie Bloggebrood blijven lezen, houd ik jullie wel op de hoogte. Met schrijven stop ik toch niet. Wacht even hoor… De ‘Bleomycin’ kickt net in. Ik kan mijn beeldscherm gewoon niet meer lezen, ben achterlijk misselijk en voel me duizelig. Ik pink een traantje weg, knuffel mijn favoriete verpleegster en stap zo de deur uit. Mijn arm is PICC-lijn vrij, kijk maar! Ik ga even genieten van het feit dat ik geen kankerpatiëntje meer ben. Morgen nadenken over een nieuw kapsel, met een beetje mazzel moet ik voor mijn zevenentwintigste mijn schaamhaar nog bijpunten! Nu al zin in!

laatste

Kankerzuur van de Chemokuur

 

De zomer kwam vorige week wel tot een heel abrupt einde. Dat gevoel deel je vast met mij. En misschien maar goed ook, want het echte leven begint weer. Zo ook voor mij. Waar ik weken lang mijzelf en mijn lichaam heb aangeleerd per dag te leven mag ik voor het eerst weer vooruit kijken; ik ben bijna clean! Het echte leven gaat verder, maar dat is wat het echte leven soms zo moeilijk maakt.

Ik heb er zin in hoor, moge dat heel duidelijk zijn. Maar na een Lowlandsfestival – dat voor mij louter liefdevol en legendarisch was – moet ik weer dingen in mijn agenda zetten. Mijn mindset moet 180 graden draaien. Afspraken, studieverplichtingen, een nieuw politiek seizoen. Jongens, wacht even! Vooruit kijken, hoe deed ik dat ook al weer? Bovendien moet ik nog een chemokuur uitzitten. Kan het echte leven niet even wachten? Nee… Het echte leven is als de Tour, die wacht op niemand.

Maar nu ik weet dat ik beter word, ben ik gemotiveerder dan ooit. Kom maar op jongens! Ik voel weer hoeveel power er in mijn lichaam zit. En ik heb die power een veel te lange tijd moeten missen.

Die chemokuren worden wel een groter blok aan mijn been. Je zou zeggen dat sommige medicatie went en dat een lichaam er beter op gaat reageren. Nou, dat is met mijn chemokuur het tegenovergestelde. Ze worden met de kuur zuurder. Die pillencocktail die elke dag lachend naar binnen werk, valt steeds rauwer op mijn dakkie. Ongewenste ziektes genees je met ongewenste middelen.

Ik weet wat ‘bad gaan’ is
Vorige week mocht ik weer komen voor mijn giftige ‘dag 1’ (Dat wil zeggen 3,5 liter aan rotzooi in 2 uur door mijn bloedbaan heen beuken). Hoe ik me die dag  voelde had helemaal níets meer met ziek zijn te maken! Man, man, man, wat was ik beroerd: slecht zicht, m’n aderen van binnen voelen prikkelen, negatieve tintelingen over het hele lichaam, misselijk voor het leven, wél heel veel honger en achterlijk veel energie hebben. Dramatische combinatie! En tegen de tijd dat het minder werd, mocht ik de volgende dag alweer aan het infuus hangen. Zwaar sfeerverlagend cirkeltje. Daar word ik niet vrolijk van.

Maar ik blijf lachen. Ik weiger mijzelf nu nog een negatieve spiraal in te chemoën. Het einde is nu echt in zicht. De drieëntwintigste van deze maand lig ik voor het laatst aan het infuus. Hoe ik me dan ga voelen? Ha, volgens mij kan je me opdweilen! Positief blijven wordt zwaarder maar juist daardoor belangrijker. Als die allerlaatste chemo denkt Joris Krouwels eronder te krijgen, heeft ie echt een verkeerde tegenstander geloot. Ik sta klaar om je af te drogen!

Nog één kuur. Dat is nog zes liter giftige vloeistof aan het infuus, zes ziekenhuisafspraken, één scan en rond de 148 pillen naar binnen harken. Bring it on!
Alleen nog even m’n kapper afbellen, ik heb het nu echt te druk!

chemopillen